Problemen met het binnenklimaat

Klimaatinstallaties hebben bij oplevering in principe een optimale, op het ontwerp afgestemde instelling. Tijdens de levenscyclus van een gebouw kunnen echter de instellingen van klimaatinstallaties veranderd zijn. Dat kan bijvoorbeeld door interne verhuizingen en verbouwingen, maar ook wijzigingen van de parameters bij onderhoud of gebruik leidt vaak tot minder optimale instellingen.

Klachten

Als klachten over het binnenklimaat zich gedurende de levensduur van een gebouw ontwikkelen, worden deze over het algemeen veroorzaakt door:

  • Uitvoeren van dagelijks beheer door gebouwgebruikers met onvoldoende specialistische kennis waardoor installaties verkeerd worden gebruikt.
  • Het slecht functioneren van de klimaatinstallatie, mogelijk door veroudering of door vaak en onzorgvuldig wijzigen van de parameters.
  • Wijzigingen in de indeling van (de inventaris van) het gebouw.
  • Verslechtering van de gebouwschil (bouwfysica).

Vaak is het een combinatie van de bovengenoemde oorzaken.

Oplossing

De oplossing is om de klimaatinstallaties functioneel te controleren en opnieuw in te regelen. Vervolgens kan beproefd worden of de nieuwe situatie voldoet aan de ontwerpcondities. De volgende stappen moeten hiervoor ondernomen worden:

  1. Functioneel controleren of de installatie conform de ontwerpcondities werkt.
  2. Indien er afwijkingen zijn, opnieuw inregelen van de installaties, zowel luchtzijdig als waterzijdig.
  3. Beproeven: monitoren van de werking van de klimaatinstallatie voor een bepaalde tijd. Waar nodig bijregelen.
  4. Eventueel: Installatie gereedmaken voor ‘continue monitoren’.

Resultaat

Indien het bovengenoemde goed uitgevoerd wordt, is het resultaat:

  • Blijvende energiebesparing: 10 – 15 % op gebouwniveau.
  • Comfortverbetering door een beter binnenklimaat.
  • Monitoren van het energiegebruik wordt mogelijk.
  • Bijdrage aan Nederlands duurzaamheidsambitie.

Monitoren

Na realisatie van de functionele controle en inregelen is het raadzaam een continue monitoring te starten. Hiermee wordt de geoptimaliseerde werking van de klimaatinstallaties geborgd en de gerealiseerde energiebesparing aantoonbaar gemaakt. Continu Monitoring betekent het blijvend bewaken en volgen van de werking van de klimaatinstallaties zoals: storingen, draaiuren, trends en dergelijke. Bij mogelijke afwijkingen in de prestaties van de klimaatinstallaties kan na analyse van de situatie bijgestuurd worden.

Laat een reactie achter